Cees Dekker: stel grenzen aan het gesleutel aan de mens

Dit stuk heb ik ingezonden naar de redactie van de NRC als reactie op het opiniestuk van Cees Dekker van 10 november 2007. Het werd niet geplaatst - maar niet getreurd, het is hier na te lezen.

Moleculair biofysicus Cees Dekker vindt dat het gesleutel aan de mens aan banden moet worden gelegd. (NRC Handelsblad zaterdag 10 november 2007). Hij richt zijn pijlen daarbij op het transhumanisme, de filosofie die, voortbouwend op de evolutieleer, stelt dat de volgende fase in de evolutie weleens bereikt zou kunnen worden door de ontwikkelingen in de technologie en een heel nieuwe soort zal opleveren. Kunstmatige intelligenties, het uploaden van de menselijke geest in een computer, zelfreplicerende robots zijn (onder andere) zo wat onderwerpen waar transhumanisten zich mee bezig houden naast natuurlijk de vraag of er in de toekomst plaats zal zijn voor de mensheid in deze nieuwe maatschappij. Zal de mens door kunstmatige intelligenties overheerst worden, zal de mens een symbiose met deze nieuwe soort aangaan of zal de mensheid zelf door „uploading“ overgaan in de nieuwe soort, de posthuman? Een mens die wellicht niet meer als „homo sapiens“ herkenbaar zal zijn. Mensen die niet bang zijn voor, en in feite uitzien naar, een toekomst als posthuman beschouwen zichzelf als een overgangsfase tussen de „human“ en de „posthuman“, vandaar de term „transhuman“, in het Nederlands „transhumanist“.

Dekker is zeer kritisch over dit transhumanisme. Dat is natuurlijk zijn goed recht, het is alleen zo jammer dat hij, net als Francis Fukuyama die zich in 2002 al kritisch uitgelaten heeft („Posthuman Society“), wéér met Huxley's „Brave New World“ op de proppen komt en probeert het transhumanisme door verdachtmakingen in een kwaad daglicht te stellen. Het verschil met Fukuyama is dat Dekker zich bij het schrijven van zijn pleidooi laat inspireren door zijn geloof in God. Dit beschouw ik overigens als de zwakste schakel in zijn betoog. Dekker is wetenschapper en zou zich moeten realiseren dat hij voor zijn dagelijks leven zijn inspiratie uit de Bijbel en zijn geloof in God mag halen, maar dat voor hem als wetenschapper slechts het wetenschappelijk argument van verifieerbare feiten en falsifiseerbare hypothesen kan gelden. God kan (omdat zijn bestaan noch zijn niet-bestaan te bewijzen is) nooit als argument worden opgevoerd.

Aan het begin van zijn artikel schildert Dekker de technologische ontwikkelingen en de daaruit voortvloeiende mogelijkheden en stelt daarbij in één adem vast dat dergelijke ontwikkelingen een „Brave New World“ zullen opleveren. Immers: „de meest fundamentele zaken ontbreken“ in een dergelijke dystopie. In het rijtje meest fundamentele zaken dat Dekker vervolgens zonder enige motivatie opsomt staat als nummer drie: godsgeloof. Daarop vraagt Dekker zich hardop af: „willen we een Brave New World“? Nou, Dekker zelf kennelijk niet en ik zal het hem niet opdringen. Maar het is de retoriek van de eerste persoon meervoud die me hier tegenstaat: heeft Dekker's mening soms een universele waarde?

Met het aan banden willen leggen van het verbeteren van de mens bevindt Dekker zich op een hellend vlak. Om een voorbeeld te geven: tegenwoordig gaat in Nederland vrijwel ieder schoolkind naar de orthodontist om de natuurlijke scheefgroei van het gebit tegen te gaan en alles keurig recht te laten zetten. Na de lange en redelijk prijzige behandelperiode moet het gebit nog met draadjes aan de achterkant vastgezet worden om te zorgen dat de tanden recht blijven staan. Dit is allerminst natuurlijk, maar toch wordt een dergelijke behandeling tegenwoordig als de normaalste zaak van de wereld gezien (en als een plicht voor de ouders). De facelift is allang geen bijzondere behandeling meer en Botox is inmiddels uit de Hollywood-sfeer en wordt in cosmetische klinieken aan „gewone“ vrouwen die het geld er graag voor over hebben toegediend. Veel mensen willen nu eenmaal wel oud worden, zolang je het maar niet kunt zien.

Dekker gaat aan deze inmiddels redelijk geaccepteerde correcties op de schepping voorbij en noemt in zijn artikel een aantal verbetertechnieken die nog geen algemeen ingang gevonden hebben en door hun afschrikeffect wat meer kunnen bijdragen aan de doelstelling van zijn betoog. Het geheel wordt daardoor enigszins tendentieus, maar vooruit, het doel heiligt de middelen: genetische manipulatie van voedsel, dier of mens (in één adem zonder verdere uitleg van verschillen en voor- of nadelen), prenatale tests met eventueel een abortus als het kind een hazenlip blijkt te hebben (absurd; ik zou graag harde cijfers zien hoeveel ouders een hazenlip een reden vinden voor een abortus) en het klonen van embryo's (zonder toelichting over het onderscheid tussen reproductief en therapeutisch klonen).

Dekker begeeft zich vervolgens op het gladde ijs van de ethiek en noemt het zich niet willen beperken tot het „beter“ maken van mensen die ziek zijn, maar gezonde mensen te willen verbeteren „hoogmoed“. Volgens Dekker komt hierdoor namelijk de menselijke waardigheid in het geding. Dekker definieert dit begrip overigens nergens. Wel legt hij uit dat voor hem menselijke waardigheid samenhangt met het geloof van christenen dat de mens fundamenteel anders is dan het dier omdat de mens geschapen is naar het beeld van God. Over waar menselijke waardigheid voor niet-christenen mee samenhangt geen woord. Na nog wat gebabbel over „intrinsieke waarde“ en de „onschendbaarheid van menselijke waardigheid volgens het Handvest voor Fundamentele Rechten van de Europese Gemeenschap“ zijn we geen stap verder en heeft Dekker nog steeds niet uitgelegd waar menselijke waardigheid volgens hem precies voor staat en, het zij terloops opgemerkt, heeft hij het bestaan van God, wiens beeld volgens Dekker immers direct samenhangt met die menselijke waardigheid, als een voor iedereen vanzelfsprekende zaak aangenomen, zonder het noodzakelijke bewijs te leveren. Over hoogmoed gesproken.

Als Dekker de bijbel ter hand neemt slaat hij deze open bij het paradijsverhaal, „waarin het doopceel van de mens wordt gelicht – ook die van ons 21ste-eeuwers“. Meer in het bijzonder leest Dekker de passage over de zondeval, waarmee hij de oerzonde „te willen zijn als God“ projecteert op de transhumanist die streeft naar „eeuwig leven, goddelijke macht en het ultieme zelfbeschikkingsrecht“. Ultiem zelfbeschikkingsrecht? - Zeker! (en wat is daar mis mee? Wie gaat er anders over mijn leven beschikken?). Eeuwig leven? - Als het kan, anders in ieder geval zo lang mogelijk! (Christenen willen overigens met hun bidden voor eeuwige zaligheid niet anders, hooguit in een andere vorm). Goddelijke macht? - Nou, nee. Maar, om met Robert Ettinger („Man into Superman“, 1989) te spreken, het is wellicht beter voor God te spelen dan voor struisvogel.

Het transhumanisme is geen utopie, zoals Dekker schrijft; het is een filosofie. Maar dit terzijde. Transhumanisten denken absoluut niet naief optimistisch dat de mens zijn nieuw verworven krachten wel ten goede zal aanwenden. Op websites, discussiefora en conferenties in Real Life (en sinds twee jaar ook in Second Life) wordt wel degelijk uitgebreid gediscussieerd over de mogelijke gevaren van een niet in de hand te houden ontwikkeling van Moleculaire Nanotechnologie (het zgn „Grey Goo-probleem“) of een op hol geslagen Artificiële Intelligentie (Singulariteitsprobleem). Transhumanisten realiseren zich echter dat de geest allang uit de fles is: dat de mogelijkheden er zijn en de vraag is dus niet „of“, maar „wanneer“.

Tot slot vergrijpt Dekker zich aan de strohalm van de verdachtmaking als hij stelt:

Transhumanistische verbetering en keuze-eugenetica gaan hand in hand. En eugenetica is moreel verwerpelijk omdat het strijdt met de principiële gelijkwaardigheid van mensen. Want het stelt dat mensen met bepaalde kenmerken waardevoller zijn dan anderen. Het devalueert mensen met een handicap, mensen met een lagere intelligentie, de ouderen, de zwakkeren. Zij allen verworden tot tweederangsmensen“.

Je mag hopen dat Dekker niet weet waar hij het over heeft, want dit is pure demagogie. Eugenetica is een beladen woord. Het staat niet op de agenda van de transhumanistische beweging om een politiek programma door te voeren waarbij de menselijke soort door negatieve of positieve genetische selectie „gezuiverd“ wordt, want dat is waar eugenetica (in ieder geval sinds de tweede wereldoorlog) mee wordt geassocieerd. Wel volgt de transhumanist met interesse de ontwikkelingen binnen de wetenschap in het algemeen en de genetica in het bijzonder en juicht op zijn weblog als er weer een doorbraak is op het gebied van Alzheimer-bestrijding, mogelijk herstel na een dwarslaesie of andere ontwikkelingen die er toe kunnen leiden dat tot nu toe voor ongeneeslijk gehouden ziekten in de nabije toekomst genezen kunnen worden.

Het is geen schande om gehandicapt, zwak of minder intelligent te zijn, maar het lijkt me ook geen gunst. Ik beschouw mensen met een handicap zeker niet als mindere mensen, maar geen enkele gehandicapte die ik in mijn leven ontmoet heb heeft ooit aangegeven tevreden te zijn met, laat staan dankbaar te zijn voor, zijn handicap; „ik heb er niet om gevraagd“ is wat zij er in het algemeen over te zeggen hebben – en gaan vervolgens verder met het beste van hun leven te maken. De vraag is gerechtvaardigd of zij, indien ze wel iets te vragen zouden hebben gehad, niet liever zonder handicap door het leven zouden gaan.

Ouders die een gehandicapt kind krijgen kunnen niet anders doen dan daar zo goed mogelijk mee omgaan. Sommige ouders gaat dat beter af dan anderen, en sommigen daarvan vinden wellicht veel steun in hun geloof, maar de aanstaande (gelovige) ouders die vurig hopen op een gehandicapt kindje moet ik nog tegenkomen. Als het in de nabije toekomst mogelijk wordt mensen van hun handicap af te helpen - eventueel door prenataal te corrigeren, niet te aborteren (en al helemaal niet voor een hazenlip) - ziet de transhumanist hier geen probleem in. Uiteraard na toestemming van de betrokken partij; de transhumanist is immers voor zelfbeschikkingsrecht.

De beschuldiging dat transhumanisten ouderen als tweederangsmensen beschouwen is al helemaal uit de lucht gegrepen. Dekker geeft hier blijk zich onvoldoende in het transhumanistische gedachtengoed te hebben verdiept. Wanneer je „oud“ bent is nogal betrekkelijk: was je vroeger op je veertigste al oud, nu vinden we iemand van achterin de zestig eigenlijk te jong om te sterven. Doodgaan met tachtig jaar is acceptabel, negentig jaar is beter en dus is nog ouder (mits geestelijk en lichamelijk gezond) nog beter. Dat geestelijk en lichamelijk gezond blijven komt steeds meer binnen ons bereik, wat is dan het probleem? Voor de transhumanist heeft het begrip „oud“ sowieso een heel andere lading: het betekent gewoon dat je al heel wat jaartjes levenservaring hebt. Het betekent zeker niet: opgesloten worden in een „levensloopbestendige woning“ temidden van andere senioren en geconfronteerd worden met steeds meer vrije tijd en steeds minder mogelijkheden om die vrije tijd aangenaam in te vullen. De transhumanist doet niet aan pensioenering: je begint op je vijftigste aan een nieuwe carrière, leert een totaal nieuw vak of nieuwe vaardigheid, laat je lichaam weer eens volledig door de APK gaan (en indien nodig upgraden), flirt, reist, emigreert (eventueel naar een andere planeet) en nog veel meer waarover ik hier niet zal schrijven om de „Futureshock-gevoeligheid“ van de lezers niet al te zeer op de proef te stellen.

Dat is wel wat anders dan in naam van God besluiten dat het welletjes moet zijn en te roepen dat mensen die niet bang zijn voor de toekomst en graag van zo'n „Brave New World“ deel zouden willen uitmaken de pas moet worden afgesneden. Dekker wil voor zichzelf het recht het wereldbeeld te verkiezen waarin plaats is voor de mens zoals de mens is. Dat de „mens zoals die is“ inmiddels met 120 km per uur over de snelweg raast, uren voor de televisie zit, lange telefoongesprekken met iemand aan de andere kant van de wereld kan voeren en robots op Mars heeft rondrijden - en dus allang niet meer de mens is die door Dekker's God in het Paradijs is neergezet - is hem in het vuur van het schrijven van zijn betoog kennelijk ontgaan. En dat er over tweehonderd jaar weer heel andere opvattingen over wat „menselijk, al te menselijk“ is zullen leven doet er voor hem evenmin toe. Dekker wil God, poëzie, echt gevaar, vrijheid. Ik gun hem dat. Hij wil

feitelijk het recht om ongelukkig te zijn, oud, lelijk en impotent te worden, het recht om syfilis en kanker te hebben; (...) het recht om voortdurend in angst te leven voor wat er morgen kan gebeuren“.

Dat recht heeft hij en ik zal het hem niet afpakken. En hij zal het in de posthumane wereld met het ultieme zelfbeschikkingsrecht zeker ook hebben, net zoals we nu nog steeds het recht hebben zonder elektrisch licht, telefoon of auto te leven. Maar waarom zou hij van dat recht gebruik willen maken?
©George Overmeire 2007